Dutch Sentence: Basic 1

  • Global rating average: 0.0 out of 5
  • 0.0
  • 0.0
  • 0.0
  • 0.0
  • 0.0
191 Cards. Created by Paul ().
 
Term  
Definition

Waarom lacht ze?

 

Why is she laughing?

Is dit uw kat?

 

Is this your cat?

Ik kan niet ademen.

 

I can't breathe.

Hij hoest.

 

He is coughing.

Ik ben boos.

 

I'm angry.

Hij is dood.

 

He is dead.

U bent hier.

 

You are here.

Hoe heet zij?

 

What is her name?

Ik woon in België.

 

I live in Belgium.

Ik heb gelogen.

 

I lied.

Ik ga trouwen.

 

I'm getting married.

Bel de brandweer!

 

Call the fire brigade!

Wil je een drankje?

 

Can I buy you a drink?

Ik ben aangekomen.

 

I put on weight.

Je rits staat open!

 

Your flies are undone!

Ik ben altijd blij.

 

I'm always happy.

Hij is onze zoon.

 

He is our son.

Waar is zij?

 

Where is she?

Heb je een auto?

 

Do you have a car?

Hij is getrouwd.

 

He got married.